Oh Glanerbrug!

Een van de plekken waar de tijd van tijd tot tijd stil leek te staan, was in de kapperszaak van eens. Wij gingen als kinderen naar de zaak van Bernard Koenders aan de Kerkstraat. Ook zijn opvolger, Johan Boek, ben ik al die jaren trouw gebleven. Totdat Johan er mee stopte en er een cultuurschok plaatsvond. Maar daarover straks.

Johan Boek

Het kind in mij werd opgetild en op een hoge stoel gezet. Kon de kapper er gemakkelijk bij. Voor de kapper en zijn makker moeten bezoeken van kinderen een taaie klus zijn geweest. Kinderen die draaiden op de stoel. Kinderen die de Donald Duckjes uit hadden en verveeld op hun beurt zaten te wachten. Geen lolletje. Johan vertelde eens dat de kappers uitzagen naar de woensdagmiddag waarop een van de onderwijzers van de St. Gerardusschool de zaak bezocht. De beste man had ook ver na schooltijd zoveel gezag, dat de kinderen zich bij wijze van uitzondering voorbeeldig gedroegen. Totdat meneer de onderwijzer keurig geknipt en geschoren de zaak weer verliet. Kon het hele gedonder opnieuw beginnen.
Uit bezoeken in latere jaren blijft mij de rust bij. Voor zo’n bezoek moest tijd genomen worden. Afspraken konden niet worden gemaakt. Ieder wachtte gewoon keurig op de beurt. Lezend in de krant, maar vooral pratend over voetbal of mopperend op de gemeente. Belangstellend naar wel en wee van anderen. Prachtige gesprekken. Af en toe stak er een hoofd om de deur. Een blik naar binnen en dan: “Oh, ik zee ’t a! Kom straks wa wear as ‘t nie zo drok is!” En weg was het hoofd. Wat ook bijblijft is de discretie van beide kappers. Er werd nooit geroddeld over klanten. Men was tevreden met het moment en met zichzelf.
In de jaren ’90 veegde Johan voor het laatst de vloer van zijn zaak. Een draaiorgel luidde hem uit. Kam en schaar konden weg. Voor klanten begon een reis langs concurrenten. Knippen op afspraak. Geen mannen-kapper meer, maar kwebbelende dames die met elkaar de laatste roddels over deze en gene uitwisselden. Wat een verschil met de rust aan de Kerkstraat! Uiteindelijk is het met mijn haardos goed gekomen en ben ik uiterst tevreden met de dame die mij nu onder handen neemt. Maar zo af en toe verlang ik naar de kapperszaak van toen. De zaak met het vitrinekastje waarin artikelen als klitwortel op alcohol en geuren uit een vervlogen verleden prijkten. Wil ik weer de zon door de grote ruit zien schijnen en wegdommelen totdat de stem klinkt: “Wie was er aan de beurt?”